Dag vava.

Er zijn niet veel vaste lijnen die ik uit mijn hoofd ken, maar 015 75 xx xx is er eentje van. Een tijdje geleden belde ik. Je nam op en zei de woorden die we allemaal al duizend keer gehoord hebben “Ik zal ons moe roepen he”.

Je was een beetje verward. Ik heb even moeten uitleggen wie ik was, je oudste kleindochter, Sofie. Diegene van wie ik altijd het verhaal heb horen vertellen dat je niet geloofde dat het een meisje was. Na vijf zonen kon het toch dat er echt een meisje geboren was in de familie Verschueren? Toch wel.

Mijn jeugd was voor een groot stuk naast jou. Letterlijk, want ons huis paalde aan dat van moemoe en vava. Een kangoeroewoning nog voor het woord was uitgevonden. Heel vaak ging ik ’s avonds – meestal al in pyjama – bij jullie nog een beetje mee televisie kijken, die altijd veel te luid stond. “Moe, moeten die niks eten. Of drinken.” Dat zei je. Waarop moemoe naar de keuken trippelde en altijd wel met iets tevoorschijn kwam. Vaak met een appel en een mesje, in de zetel naast de jouwe, voor ons een appeltje schillend.

Soms leek je wel een beetje vastgegroeid in die zetel. Ik denk niet dat ik het ooit gedurfd heb om daar in te gaan zitten. Dat is de zetel van vava, het is ongeschreven wet dat die vrij blijft. Tegenwoordig is het opklapmodel, maar vroeger was er een apart voetbankje. Daar heb ik vaak gezeten. Want honderden keren heb jij me geroepen om naar het vogeltje te kijken dat je gevangen had. Ik hoorde tjilpende geluidjes en zag je grote handen dat kleine vogeltje zachtjes omklemmen. Ik heb het vogeltje nooit gezien. Want als ik bij het voetbankje kwam, dan werd ik – vrij letterlijk – bij de neus genomen. Ook na honderd keer bleef ik het geloven, ook na honderd keer bleef jij er smakelijk om lachen.

Zoals je ook smakelijk kon genieten van zoete lekkernijen. Dat mag niet altijd van moemoe, maar je kon dan zo deugenieterig en stiekem knipogen als je toch een boucher’ke had kunnen bemachtigen.

Ooit sprong ik uit een vliegtuig. En jij vloog mee, je luchtdoop. Ik weet niet of je op voorhand wist dat de deur tijdens de vlucht zou blijven openstaan. Achteraf hebben we er hard om gelachen, maar op het moment zelf zag ik je vooral angstig knuffelen met de gordel van je vliegtuigzitje. Niet zoals je anders op je gemak in je zetel zat.

Ik heb ook uren en uren in de stal gestaan. Toen stonden er nog koeien, en als die moesten kalven, stond ik op de eerste rij. Zelfs na drie kinderen ken ik een keizersnede van dichtbij alleen maar van de veterinaire. Ik weet nog dat er daarna een soort zilveren spray op de wonde werd gespoten, terwijl het kalfje ernaast al probeerde recht te staan. Ik zag armen verdwijnen in vreemde gaten en die keer dat een tractor een kalfje er moest uit trekken omdat het vast zat, staat meer dan dertig jaar later nog in mijn geheugen gegrift. Jij liep dan rond met een stofjas en een stok, en ook met de nodige zenuwen en stress. Maar ik hield zo van de spanning van de stal. Van het nieuwe leven dat daar zo vaak kwam piepen, van het hele gebeuren, van jouw aanwezigheid.

De zetel is leeg nu. Niemand zal er ooit in gaan zitten. Want het is de zetel van vava. We nemen die zetel mee in ons hart, en jouw guitige blik als je er in zat.

Posted in Er zijn zo van die dingen | 1 Comment

Waar is de finish?

Twee keer per week, weer of geen weer, trek ik mijn loopschoenen aan. Het is niet alsof dat vanzelf gaat, ik moet elke keer diep graven om de startmotivatie te vinden. Maar ik weet hoe belangrijk het voor mijn hoofd is om dat uur te zweten. 

Laat ons eerlijk zijn, het zijn ook de enige twee uurtjes van de week dat ik kan ontsnappen aan de constante stroom van werk en kinderen. Dat heb ik voor corona nooit zo aangevoeld, maar nu doet het echt deugd om even weg te zijn. 

Voila, het grote woord is eruit. Corona heeft alles veranderd. Het heeft de mooie dingen van ons gezin nog meer blootgelegd. Ik vind het fantastisch dat wij na een vol jaar continu op elkaars kap, nog altijd blij worden van elkaars gezelschap. Er was niet veel behalve de kern, en die blijkt echt van goud. Drie gelukkige kinderen, twee verliefde ouders. Als je lief in een pandemie beslist om op een knie te gaan, dan zit het echt wel snor. Mijn bubbel is echt de allerbeste. 

Toch is het ook pittig. Anderhalf jaar zwaar onderbroken nachten. Anderhalf jaar geen “avond” zoals je verondersteld wordt te hebben als de kinderen slapen. Om de simpele reden dat dat exact het moment is waarop ik in elkaar stuik van vermoeidheid. Een jaar met amper of geen village. Een jaar met wandelen en gezelschapsspelletjes, maar met bitter weinig vrienden of familie. Anderhalf jaar met veel, en weinig. En veel. 

Thuiswerken met een peuter is dweilen met tien kranen open. Thuiswerken met grotere kinderen is om het halfuur een messteek door uw hart van schuldgevoel, naar beide partijen. Die twee loopuurtjes zijn dus echt gestolen luxe. Voor iets anders is er gewoon geen ruimte. Twee seconden in elkaars ogen kunnen kijken zonder ingehaald worden door werk, huishouden of kinderen is al een groot succes. We proberen dat soort kleine dingen dan ook echt te vangen. 

De uitzichtloosheid weegt. Er zijn zoveel momenten gepasseerd die we niet hebben kunnen delen. Zowel de mooie als de moeilijke. Er is zoveel voorbijgegaan dat nooit meer terugkomt. 

Als docent ga ik gebukt onder hoe deze crisis duwt op jongeren. Ik zie ze wegkwijnen en kan dat niet gewoon vergeten als ik ‘s avonds mijn scherm dichtklap. Als docent ben ik moe van het heen en weer schakelen tussen campus en online, van het proberen digitaal creatief en interessant te zijn, van het proberen te lezen tussen de lijnen. Aanpassen, nog eens draaien, plannen in de vuilnisbak kieperen omdat maatregelen veranderen en opnieuw beginnen. Altijd opnieuw beginnen, altijd doorgaan. 

Zoals het gaat tijdens looptoertjes. Op voorhand lijken die 8 of 10 km een hele hoge berg, maar stapje voor stapje valt het wel mee. Vooral omdat ik weet wanneer ik weer thuis zal zijn: er is een finish. Iets wat deze crisis en mijn hoofd enorm hard nodig heeft, een eindmeet. 

Ik liep vanmorgen met lekkere muziek in mijn oren en een voorzichtige zon op mijn snoet. Op een bankje zat een oude man. Toen ik gezwind passeerde, begon hij te applaudisseren. Zijn mondmasker hing onder zijn kin, wat maakte dat ik zijn enthousiasme niet alleen voelde maar ook nog eens echt zag. Een gezicht, en aanmoedigende handen. 

Terwijl ik er langs liep, in kilometer acht van mijn toer, voelde ik hoe veel deugd dit me deed. Het lopen, maar ook het simpele gebaar van de oude man op het bankje. 

Het voelde alsof hij een applaus gaf voor het hele voorbije jaar. Voor de hele voorbije anderhalf jaar, vanaf de vroeggeboorte van Rosalie. Voor de hele afgelopen twee en een half jaar, vanaf zijn dood. Voor alles vanaf mei 2018, de start van een trein van miserie.

Applaus voor jou. Applaus voor mezelf. Dankbaar voor deze onbekende supporter onderweg. 

Maar wat ik nog wilde weten, waar is de finish?

Posted in Bewegen, Er zijn zo van die dingen | Tagged , , | 1 Comment

Rosalie, anderhalf.

“Maar ze is zo cute!” 


Misschien is het wel de meest gehoorde zin ten huize Brutin. Om de zoveel tijd door minstens een bewonder gescandeerd, vaak ook allemaal samen in koor. Er zal dus wel iets van aan zijn, je bent ongelooflijk schattig. Dat is een slimme truc van de natuur, om je al het slaaptekort te vergeven. Al doe jij het eigenlijk best goed zolang je dicht bij ons (*mama*) mag liggen en af en toe mag langs de bar mag passeren. De echt lastige nachten houden meestal verband met lastige ziektekiemen die jij probeert af te schudden. En dat doe je, gezien je fragiele start, met verve. 


Ik wil het niet altijd over die moeilijke start hebben, maar het geeft alles wat jij kan en doet, nog een extra laagje glans. We staan er soms met open mond naar te kijken. Je loopt al maanden rond, je klimt op alles wat je tegenkomt, je speelt en bloeit. 


Hoewel je mond zelden stilstaat, kunnen we wel nog niet veel verstaanbare woorden grijpen. Maar misschien dat jij het nut er niet van in ziet, want je maakt ons ook zonder woorden duidelijk wat je wil. Je komt je schoenen brengen als je naar buiten wil, je positioneert jezelf voor de frigo met wijzende vinger als je wil eten, je zwaait aan de livingdeur als je wil gaan slapen. 


Je bent grote fan van de buurtkatten in onze tuin en zou het liefst de hele dag op papa zijn arm naar de beestjes wijzen. Al maakt het je ook niet zoveel uit wat je doet, als je op papa zijn arm mag zitten. Soms ben ik bang dat als papa borsten zou hebben, dat hij je grote favoriet zou zijn (knipoog).


Als ik een zoentje vraag, krijg ik een natte lebberkus in mijn gezicht. Je weet waar je buik ligt en je neus. Je begrijpt ongeveer alles wat we zeggen, al ben ik niet zeker dat je mee bent met het concept ‘dutjes overdag’. Moeten we het nog eens over hebben. 


Natuurlijk is het veel leuker om een doek voor je ogen te houden en daaronder te schaterlachen omdat wij heel verontwaardigd roepen “waar Rosalie nu toch is?!”, dan te slapen. Als je dan het doek wegtrekt, moet je zo hard lachen dat we er allemaal deugd van hebben. Wij hebben allemaal zoveel deugd van jou, dat het zo spijtig is dat we jou niet kunnen delen met al die andere fantastische mensen in onze omgeving. Jij hebt geen idee wat corona is, maar we weten dat je gemist wordt. Plots ben je al anderhalf jaar op de wereld, waarvan eerst drie maanden in het ziekenhuis en bijna meteen daarna een jaar beperkt tot onze bubbel. Wat voor jou misschien wel een zegen is.


Mijn hart smelt als ik zie hoe die grote broers voor jou in de weer zijn. Felix die niet kan slapen zonder een dikke knuffel van jou, Basiel die ‘s morgens met de grootste zachtheid je jas en schoenen aantrekt, of je stiekem hapjes van zijn soep geeft. Je draait ze moeiteloos rond je vinger. Ze moeten zich vaak aanpassen aan de noden van een peuter, maar doen dat zonder morren.


“MAAR ZE IS ZO CUTE!”, heeft je hachje al een paar keer gered.

Het is waar natuurlijk, je bent om op te eten. Maar ik beloof dat ik dat niet zal doen, je kan niet al te veel missen van die kleine 10kg. 

Posted in Dotje, Kind en gezin, Liefde | 2 Comments

Jaarbrief 6 – Felix

Oooh Felix,

Eindelijk is de dag aangebroken waar je al weken naar uitkijkt. Want zes worden, dat moet wel ongeveer het leukste zijn dat er bestaat. Al ben jij heel makkelijk enthousiast te maken.

Toen we onlangs in de auto zaten na een middagje Puyenbroek, zei je spontaan dat het echt de leukste dag was. Ik vroeg waarom en je begon aan een waslijst kleine gelukjes. Want zo ben jij, oprecht content met grote en kleine dingen.

Je bent enorm in touch met je gevoelens. Dat kan van op een afstand op serieus wat melodrama lijken (want de traansluizen gaan wel heel erg snel open), maar het is vooral een heerlijk mechanisme. Jij uit en zegt zo vlot hoe je je voelt, dat we je ook makkelijk kunnen helpen of gewoon luisteren. Het maakt dat je lastige dingen ook snel kan afschudden, want je bent een meester in ontladen.

Je houdt van mango (ooh moeder, leer dat nu eens deftig schillen zeg), van je vastgelegde uurtjes op de iPad, van Beverbende en Keer op Keer, van macaroni en pannenkoeken, van tekenen en knutselen, van sushi en frietjes met Bicky saus.

Je houdt ook van mensen. Er zijn er een paar die enorm diep in je hart zitten, en van wie het missen door corona soms moeilijk verloopt. Je bent ook het kind dat het vaakst over nonkel Thomas praat, want je kan het maar niet begrijpen. En je zou maar wat graag met hem voetballen, of iets anders doen dat je alleen met toffe nonkels kan doen. Als we je een brilletje zouden geven, waren jullie helemaal twee druppels water.

Over middelkinderen gaan de zotste vooroordelen de ronde, maar daar trek jij je niets van aan. Het heeft er ook heel lang naar uit gezien dat jij de kleinste zou blijven, maar je ontpopte je zonder verpinken in een zorgzame grote broer. Gisteren keek ik twee minuten niet en was je vliegtuigje aan het spelen met Rosalie haar patatjes. Je kan niet gaan slapen zonder haar (en ons) een geweldig dikke knuffel te hebben gegeven. Soms besef je onderweg naar school dat je de achtergebleven ouder niet meer geknuffeld hebt. En dan komen er snel traantjes. Jij voelt alles zo goed aan.

Je stapt met enorm veel goesting door het leven, samen met je roze laarsjes. Ondertussen al het derde paar deze winter en uiteindelijk gele nu. Maar geen probleem “want dat is ook mijn lievelingskleur hoor.”

Je bent een fantastisch kereltje om in huis te hebben, ook al heb je soms geen off-knop. Je zingt, maakt de zotste redeneringen en vertelt tot ‘Vos en Haas’ roepen om een slaapwelverhaaltje. Meestal stopt papa je in bed, omdat Rosalie op dat moment nogal vaak moeders borsten claimt (hoezo het is nog maar 3 jaar geleden dat jij de allergrootste fan was??). Maar de keren dat ik het doe, is het echt genieten. Je kruipt helemaal in het verhaal. Je kruipt heerlijk tegen mij. En het moment dat je beslist om te gaan slapen, lig je twee minuten later heerlijk te ronken.

Je bent heerlijk in alles liefste Felix.

Gelukkige verjaardag xxx

(PS: Zoals afgesproken moet je vanaf nu zelf je poep afvegen. Vergeet zeker je handen niet te wassen daarna!)

Posted in Felix | 1 Comment

Verloofd!

Het was op de dag dat we tien jaar samen waren.

We doen die dag traditioneel iets wat onder de definitie van ‘romantisch’ zou kunnen vallen. Een jaar geleden kon je dan nog gewoon een babysit binnenhalen en even ontsnappen. Vandaag is dat allemaal een beetje ingewikkelder. Om de jubileumtraditie verder te kunnen zetten, moesten we toch iets creatiever zijn.

Tom vroeg een paar weken daarvoor of ik geen lange middagpauze kon nemen, hij zou zelf de hele dag verlof nemen. Topidee! Het was een donderdag, dus de kinderen waren op school of in de opvang. Ik werkte (nog  ;)) wat extra uren in het weekend en zo hadden we op donderdag 14 januari een paar uurtjes samen. Zonder kinderen! Ik kan niet zeggen hoe lang dat geleden was. Ik durf er zelfs niet over na te denken. Er zitten veel nare kantjes aan deze pandemie, maar de complete onmogelijkheid om iets als koppel te doen zonder kinderen, is er zeker bij.

Toen dat allemaal geregeld was, stelde Tom voor om te gaan picknicken in Wenduine. Als het over mijn favoriete badstad gaat, heb ik het picknickdeken natuurlijk al in de auto gezwierd voor hij zijn zin kon afmaken. Hij regelde een picnkickmand bij ons favoriet adresje Poincare en we keken er allebei naar uit.

Helaas. Frank en Sabine werkten niet mee. Al de hele week voorspelden ze sneeuw, problemen, vrieskou en gure wind. Ik zag Tom een paar keer panikeren, maar vond dat hij zich niet moest aanstellen. Het weer kon ons toch niet tegenhouden om te gaan lunchen op het toreke in Wenduine zeker?

De dag zelf was hij helemaal in paniek. Want het weerbericht bleek dus te kloppen. Rotweer. Ik zei dat dat het toch niet uitmaakte, dat het vrij uniek is om te picknicken in duinen met sneeuw op het strand. Dat zot zijn geen zeer doet. Hij antwoordde dat het inderdaad een memorabele dag zou worden.

Daar zaten we. Boven op de duin, alleen beschermd door het toreke, maar voor de rest compleet blootgesteld aan de elementen. De picknick zag er verschrikkelijk lekker uit, maar het was bijna te koud om er van te eten. We deden het toch. Ik vond het allemaal heel erg grappig.

Tom was hypernerveus. Waardoor ik wat nattigheid begon te voelen (niet echt, want ik had gelukkig supersexy sneeuwbotten aan). Mijn broodje was nog niet eens op, toen hij zenuwachtig om zich heen begon te kijken. Ik draaide toertjes rond het huisje, ik dacht dat hij misschien zocht naar een plekje dat iets beter beschut was.

Toen vroeg hij om een foto te trekken. Die vraag is doorgaans mijn taak, Tom rolt vooral met zijn ogen van al dat geposeer. Maar nu vroeg hij het dus zelf, wat me wel een beetje achterdochtig maakte. Het werd nog gekker toen hij vroeg om me om te draaien, zodat hij een foto kon trekken terwijl ik naar de zee keek. Tom die zoiets zelf voorstelt is zoals een federale regering die zichzelf vormt binnen de week. Maar ik keek dus naar de zee.

Met mijn blik op het besneeuwde strand, hoorde ik van alles ritselen en draaide weer om. Tom zat op een knie met de ring. Hij probeerde te vragen of ik met hem wilde trouwen, maar kreeg het eigenlijk nauwelijks gezegd. De tranen stroomden eruit, bij de volledige entiteit.

Ik denk niet dat ik officieel ja heb gezegd. Ik ben vooral op hem gesprongen en heb hem uitgebreid gekust.

Daarna waren we verkleumd en zijn we naar huis gegaan. De ring was helaas te klein, maar we zijn onmiddellijk naar de juwelier gereden om hem te laten aanpassen. We besloten om nog te zwijgen tot de ring klaar was én we onze ouders persoonlijk hadden kunnen inlichten. Lange weken, zegt.

Maar wel op een gigantisch roze wolk. Verliefd, en nu ook verloofd.

PS: Voor de verdere plannen is er vooral nog geen enkel plan

PPS: Bij het terugbrengen van de picknickmand floepte ik er meteen uit dat hij me ten huwelijk had gevraagd. Misschien dat ze toen iets beter begrepen waarom we op een verschrikkelijk koude en gure dag in januari wilden gaan picknicken.

Posted in Liefde | 5 Comments

Tien.

Als jij me tien jaar later nog altijd kan doen lachen met nieuw mopjesmateriaal.

Als jij me tien jaar later nog altijd de definitie van vlinders in mijn buik kan schrijven.

Als jij me tien jaar later nog altijd kan ontvlammen met één beweging of blik.

Tien jaar. Altijd.

Als jij me na tien jaar nog elke dag doet beseffen waarom je zo bijzonder bent.

Als jij me na tien jaar nog elke dag kan doen verdrinken in je helblauwe ogen.

Als jij me na tien jaar nog elke dag vertedert met hoe je vadert over onze kroost.

Tien jaar. Elke dag.

Als jij me al tien jaar vasthoudt en draagt als ik het nodig heb.

Als jij me al tien jaar begrijpt zonder uitleg.

Als jij me al tien jaar meeneemt naar meer rust en minder stress.

Als jij en ik. Tien jaar. Elke dag.

Maar vooral: altijd.

Ik zou gezien de omvang van een decennium mooi kunnen afronden met te zeggen dat de entiteit tien op tien haalt. Maar liefde vat je niet samen in cijfers, dat moet je voelen.

Ik voel het. Elke dag.

En voor altijd.

Posted in Liefde | 1 Comment

Jaarbrief. En ook niet.

Als ik ’s avonds je pyjama aandoe en met jou naar boven trek voor ons moederdochtermomentje (lees: aan de borst in slaap vallen), dan blijf ik altijd even staan. We draaien naar ons mannelijke trio en jij begint op de allerschattigste manier te zwaaien. Je wuift tot die geweldige broers je morgenvroeg weer komen plat knuffelen en doet het Bambi-ding met je ogen naar je papa.

Dat zwaaien is elke dag actiever aanwezig. Je deed het al lang, maar nu doe je het ongeveer bij elke dada van ons. Zoals je elke keer met je handjes begint te draaien als wij zingen. Of zoals je schaterlacht als wij iets op ons hoofd zetten én het er met het nodige drama ook van af laten vallen.

Dat lijken kleine dingen, maar dat is zo groots. Ik zit soms met een vergrootglas op jouw ontwikkeling, omdat ik je 96 dagen te vroeg uit mijn buik heb voelen glippen. Ik weet dat ik er helemaal niks aan kon doen, maar ik voel me wel enigszins schuldig tegenover jou. Jij was daar lekker gezellig aan het groeien, toen je huisje het begaf en jij veel te vroeg in de wereld werd geduwd. Ik heb jou een heel seizoen lang elke avond achtergelaten in het ziekenhuis. Dus elke stap die jij zet, neem ik met uitgediepte bewondering waar.

En stappen, dat doe je. Het is nog wankel, maar je kan het wel. Daarmee ben je eigenlijk de snelste van onze drie heerlijke kinderen. Want ook al ben jij ondertussen dik 15 maanden geleden geboren, als we de zwangerschap hadden mogen afmaken, was het nu ongeveer je verjaardag. Je was uitgerekend voor 19 december, maar je broers bleven ook nog wat langer zitten. Ik dacht dat we dat met jou ook zouden moeten uitzitten, ik maakte me zorgen over hoe we ons naar de materniteit zouden reppen als jij besliste ’s nachts te komen terwijl we geen opvang hadden voor je broers. Alles liep anders. Dat is een diep litteken, maar jij bent de beste zalf.

Het klinkt kleffer dan een pannenkoek met een kilo stroop, maar jij bent een gigantisch wonder. Je doet het zo verschrikkelijk goed, dat we soms vergeten waar en hoe jij begonnen bent.

En nog een meevaller: je bent echt een toffe griet. Misschien een klein werkpuntje: het is fijn dat klimmen je hobby is, maar het bezorgt ons wel de nodige stress. We supporteren graag voor je ontdekkingstocht, maar je bent echt nog te jong om op de tafel te dansen.

Maar blijf vooral dansen lieverd, doe je goed.

Liefs,

je mama.

Posted in (extreem) prematuur, Dotje, Kind en gezin, Liefde | 3 Comments

Weg. De (langverwachte) podcast.

Van de ene dag op de andere werd verlies een thema in ons leven. Het begon met een miskraam, meteen daarna volgde ontslag, Tom had een ongeval met een enorme nasleep, mijn broer stapte uit het leven, ik kreeg de diagnose syndroom van Asherman (en onvruchtbaarheid), ik werd toch zwanger en beviel zonder ooit één voet in het derde trimester van de zwangerschap te hebben gezet. Heel veel verlies, op heel korte tijd.

Radio is al eeuwen een grote liefde. Eentje die me zonder al te veel uitleg bruusk ontnomen werd, wat me nog altijd enorm veel pijn doet. Maar met meer dan een decennium op de teller, ook een warme herinnering in mijn hart. De deur ging toe en een poort ging open, want op een manier maak ik nog altijd radio. Aan de andere kant wel. Maar het is heerlijk om jonge, hongerige mensen te begeleiden bij hun eerste radiostapjes.

Iedereen maakt tegenwoordig podcasts, dus waarom zou ik proberen om daar nog iets aan toe te voegen? Je gaat het misschien niet geloven, maar lang geleden wilde ik iets maken rond ouderschap. Maar toen kwam Kristien Wollants met haar fantastische Radio Mama en ging dat idee logischerwijs in de vuilnisbak. Ergens in mijn achterhoofd wilde ik altijd al een podcast maken. Radio waarbij er geen regels zijn, maar wel tijd. Helaas was het leven lange tijd te intens én te moeilijk om er echt voor te gaan.

Tegelijkertijd voel ik al een hele tijd dat ik echt nog eens iets moet doen voor mezelf. De creatieve en artistieke Sofie wordt al lang niet meer gevoed, en dat is eigenlijk wel een probleem. Die speciale energie heb ik nodig, om de rest aan te kunnen. De laatste jaren stonden in het teken van neergeslagen worden en weer recht krabbelen, in het teken van heel erg zorgen voor mijn gezin maar minder voor mezelf. Alle vrije ruimte die over was, ging naar werk.

Het is een lang proces geweest, met heel veel uitstellen door een of ander belachelijk virus. Mijn eerste concept is nog altijd een goed idee, maar bleek in postproductie onhaalbaar in combinatie met een full time job en drie kinderen. Misschien was het wel net goed dat die eerste opnames niet helemaal waren zoals ik het wou, want het leidde me naar wat het vandaag geworden is.

Eigenlijk heb ik vooral gestript. Het werd steeds puurder, duidelijker, naakter. Elke aflevering is nu een gesprek met één persoon, over verlies. Dat thema wordt enorm ruim ingevuld, wat mijn hart dan weer vervult. Want ik merk elke dag hoeveel taboe er hangt rond verlies, en rond rouw. Zeker over zaken waar we als maatschappij totaal niet bij stilstaan.

Het is dus mijn bedoeling om dat taboe te doorbreken. Om er over te praten, om misschien te zoeken hoe we wel met rouw kunnen omgaan. Want we kunnen onze ogen sluiten, maar de dood hoort kei hard bij het leven. Rouw hoort bij het leven. We zijn precies verleerd hoe we er mee kunnen omgaan. Maar wegkijken en zwijgen is geen optie, vind ik.

Weg is een podcast die begint, omdat zoveel dingen eindigen.

Op een nacht voelde ik dat het ding WEG moest heten. Want dat woord omvat zoveel dingen. Wat je verliest, is weg. Rouwen is een weg die je moet afleggen. Het klopte voor mij.

Ondertussen ben ik echt vertrokken. In uiterst veilige omstandigheden zijn er ondertussen al wat gesprekken opgenomen. Met een bang hartje ga ik voor Kerstmis drie afleveringen op de wereld loslaten. Om daarna met mondjesmaat nieuwe thema’s aan te snijden en mensen hun verhaal te laten vertellen. Ik ben de interviewer, met zelf een grote verliesrugzak. Ik was vergeten hoe fijn ik interviewen wel vind. Hoeveel er het er zullen worden weet ik niet, want het is zonder businessplan (haha, podcasts zijn gratis) maar gewoon op een haalbaar ritme voor mezelf.

Het is dus bijna zover. Volgende week deze tijd ga ik kapot gaan van de zenuwen. Omdat ik benieuwd ben naar de reacties. Omdat ik bang ben voor de reacties. Omdat ik bang ben dat er misschien niemand gaat luisteren. Omdat ik mezelf toch wel blootgeef. Omdat zoveel, maar fuck al die redenen.

Ik doe dit echt voor mezelf, voor mijn eigen weg. Maar ook voor iedereen die een beetje verloren loopt met zijn verlies. Om de weg te snoeien en vrij te maken zodat er weer een open blik is. Om de weg te delen.

Ik heb een paar dagen geleden de trailer losgelaten (te vinden via Spotify en Apple Podcasts) en heb daar enorm fijne reacties op gekregen. Er zijn ook mensen die bang zijn van de zwaarte, wat ik volledig begrijp. Maar als je me een beetje kent, weet je dat ik het geen uur volhoud zonder een vleugje humor. Er mag dus ook gelachen worden, want rouwen is niet alleen een weg van tranen en zakdoeken.

Enfin. Weg dus, volgende week. Mijn eigen podcast. Ik ben trillend trots. En blij. En zenuwachtig. Mij doet het deugd, ik hoop uit de grond van mijn hart dat jij er ook iets aan zal hebben.

(Allez, ik ben dan weg he)

Posted in Want zo ben ik | 8 Comments

Wereldprematurendag, 1 jaar later.

Ik kan het me nog levendig voorstellen hoe het was om een volledige seizoen door te brengen in het ziekenhuis. Elke dag opnieuw naast het bedje van onze veel te vroeg geboren dochter, uiteindelijk 82 dagen lang. Een najaar op neonatologie in plaats van een herfst met dikke buik.

Ik kan het me nog levendig voorstellen hoe de onzekerheid je opvreet. Hoe je je heel voorzichtig vastklampt aan de kleinste stapjes. Hoe je niet vooruit kan kijken, want je weet helemaal niet naar wat. Niemand had kunnen voorspellen wat voor een belachelijk bizar jaar 2020 zou worden, maar helaas zijn er heel veel parallellen te trekken tussen ouder worden van een extreem prematuur én een wereldwijde coronapandemie.

Je vraagt je elke dag af wanneer ze naar huis mag, zoals je je elke dag afvraagt wanneer het nu eindelijk echt voorbij is. Je wil weten wanneer je weer een normaal leven kan leiden zonder ziekenhuisprotocollen, zoals je je afvraagt wanneer je weer zonder coronaregels je zin kan doen. Je vraagt je af hoe ze hier gaat doorkomen, zoals je je afvraagt of er blijvende schade zal zijn voor mens en maatschappij. Je hebt financiële zorgen, angst over je job, angst over de wereld en het leven. Ik wou dat het niet zo was, maar de vergelijking is te treffend. Alleen ging het gevoel met corona van onze bubbel naar wereldschaal.

Gelukkig stopt de vergelijking als we naar de cijfers kijken. Rosalie doet het uitzonderlijk goed. Maar echt, buiten alle verwachting goed. Dat kind is het allerbeste scenario van een diepverschrikkelijke start. Het is bijna niet te geloven hoe goed ze het doet, dat zeggen ook alle dokters die haar tegenkomen.

Soms voel ik me daar bijna schuldig over. Want omdat zij het zo fantastisch doet en misschien een klein beetje een ‘bekende’ prematuur is , lijkt een (extreem) prematuur voor de buitenwereld iets waar je gewoon in de ziekenhuistijd door moet. Laat mij daar duidelijk over zijn: dat is het niet. Absoluut niet.

We zijn elke dag gigantisch onder de indruk van onze straffe madam.

Wat ze motorisch presteert, is met geen woorden te beschrijven. In het laatste trimester van de zwangerschap heeft een baby eigenlijk te weinig plaats in de baarmoeder. Maar dat heeft een belangrijke functie, zo bouwt een kind onder andere spierspanning op. Ieder kind legt op zijn eigen tempo het motorische parcours af, ook voldragen kinderen. Maar voor de meeste prematuren gaat het motorisch echt een pak trager. Rosalie heeft heel wat mijlpalen sneller bereikt dan haar grote broers, dat zijn dingen waar zelfs de bobath kinesist met 20 jaar ervaring geen woorden voor had.

Ook haar immuniteit overtreft de verwachtingen. Ze mist dat interne immuunsysteem dat in het derde trimester van de zwangerschap wordt opgebouwd, en hoewel we al eens een weekje met een met een longontsteking in het ziekenhuis hebben gelegen, is ze verbazend sterk. Ik heb er natuurlijk geen rechtstreekse bewijzen voor, maar ik neem aan dat de borstvoeding daar toch wel een handje helpt.

Voor zover we weten zijn ook haar ogen in orde (het toedienen van zuurstof kan schadelijk zijn voor de oogontwikkeling), hoort ze prima (onlangs tijdens haar diabolo-operatie hebben ze ook een speciale gehoortest gedaan onder narcose) en begrijpt ze wat een baby van 11 maanden moet begrijpen. Als er iets op de grond valt, zoekt ze het. Ze speelt graag kiekeboe en weet dat je dan niet definitief weg bent. Als ze goesting heeft, zwaait ze bij het afscheid. Ze doet heel enthousiast bravo en danst als er muziek te horen is. Als je haar ziet, denk ik oprecht niet dat je haar kan onderscheiden van een normale baby van 11 maanden.

Zijn we er dan? Allerminst. We nemen het nog steeds dag voor dag, zeker in winter- en coronamaanden. Ze doet het goed op de opvang (toch een virus en bacteriefestijn), maar we zijn ook nog maar drie maanden bezig. Haar longen blijven we met veel voorzichtigheid benaderen, want die zijn compleet onrijp op de wereld gekomen. Dat blijft dus afwachten, maar ze wordt normaal wel elk jaar sterker op dat vlak.

Zijn we er dan? Allerminst. Want de grote vraag blijft natuurlijk wat er met haar hersenen gebeurd is. Ze heeft gelukkig geen hersenbloedingen gedaan (wat schering en inslag is bij extreem prematuren), maar hersenen zijn ook een orgaan. Een superbelangrijk orgaan dat veel te vroeg zonder baarmoeder is gevallen, op een moment dat de ontwikkeling nog in volle gang was. We hebben geen idee wat dat voor schade heeft opgeleverd, maar we moeten sowieso rekening houden met leerstoornissen en concentratieproblemen. Een baarmoeder is een buffer met de buitenwereld. Een dienst intensieve zorg waar het gonst van de alarmen en het fel licht, is compleet het tegenovergestelde. We weten nog niet wat voor schade dat heeft opgeleverd, mogelijks komt dat ook pas echt aan het licht als ze naar de (lagere) school gaat. In ons achterhoofd is dat een sluimerende angst, maar het heeft ook geen zin om ons hoofd daarover te breken. We nemen het gewoon dag per dag.

Zijn we er dan? Ik denk het niet, maar toch ook wel. Ik heb me gigantisch veel zorgen gemaakt om hechting, want 82 dagen in een koud ziekenhuisbedje in plaats van onder mijn hartslag, is een aanslag op zoveel dingen. Maar ik geloof ook wel dat we een deel daarvan hebben ingehaald. Door de borstvoeding, door het samen slapen, door het vele maanden 24/7 beschikbaar zijn voor haar (en nog steeds). Mijn moederschapsrust is verlengd met de ziekenhuisperiode, maar dat is eigenlijk echt het absolute minimum om dat hechtingsprobleem aan te pakken. Er wordt in ons land helaas altijd op korte termijn gedacht, zelden op lange termijn want dan is er misschien een andere partij of politicus die met de pluimen gaat lopen. Het is nochtans zo belangrijk, die start. Ik ben zo dankbaar dat ik haar zodra ze thuis was, wel heb kunnen geven wat ze nodig had. Ik ben ervan overtuigd dat het haar ontwikkeling ook echt deugd heeft gedaan. Maar ik zal me eeuwig schuldig voelen over die drie maanden ziekenhuis. Al die nachten zonder mij, dat zal ik mezelf nooit vergeven. Ook al kon ik er niks aan veranderen.

Maar dit moet een positief verhaal zijn. Want wij zitten met een geweldig fantastische kers op de taart. Elk kind is een wonder, maar Rosalie kan toch wat extra zaken afvinken op de mirakellijst. We zijn dus vooral enorm dankbaar. Merci Roosje om er zo heerlijk te zijn.

We zijn ook dankbaar voor wat zoveel mensen voor ons gedaan hebben. De mensen in het ziekenhuis, de honderden kaartjes die hier zijn toegekomen, de stroom aan eten, de cadeautjes, de warmte, de liefde, de kaarsjes en de regenbogen. Het deed toen zoveel deugd en ik zal nooit iedereen genoeg kunnen bedanken. Maar echt, wow wow wow. Dankuwel!

Mijn hart gaat ook uit naar iedereen die in dezelfde situatie zit. Nu lijkt het me nog een pak moeilijker, door die verdomde corona. Mijn hart gaat uit naar iedereen die uiteindelijk geen kindje meer naar huis kon nemen, maar misschien alleen een foto of een voetafdrukje.

Maar mijn hart gaat ook uit naar mezelf. Want het trauma is er. De ziekenhuistijd heeft een plaats gekregen, maar het verlies van de zwangerschap niet. Dat hakt er zo hard in op sommige momenten, dat blijft voor altijd een wonde die ik met zachtheid moet behandelen. Niet iedereen rondom mij is even lief voor dat verlies, maar je moet het echt meemaken om het te snappen (denk ik). Gelukkig heb ik nog de zwangerschappen van Basiel en Felix, anders ging ik helemaal kapot. Al is het ook net daardoor dat ik weet wat ik gemist heb. Een sluimerende pijn, waar ik echt voor moet opletten.

Prematuurtjes worden vaak helden genoemd, of vechtertjes. Ik vind dat niet eerlijk tegenover kindjes die het niet halen. Ze moeten heel wat doorstaan, dat is waar. Maar van de ouders wordt toch ook wel wat heldenmoed gevraagd. Wij hebben een held in huis: mijn fantastische lief.

Ik kan nog steeds niet begrijpen hoe hij in die periode elke dag eerst ging werken, om daarna zijn avond buidelend met Rosalie door te brengen. Elke dag de jongens naar school brengen terwijl ik al in het ziekenhuis was. Mij ondersteunen en de jongens, en toch zijn humor niet verliezen. Hoeveel uren hij bij dat kleine meisjes heeft gezeten, terwijl hij toch heel erg lang getwijfeld heeft of er nog plaats was voor een kindje in ons gezin. Uiteindelijk heeft het onze hele wereld op zijn kop gezet en is niets gegaan zoals het moest. Maar zoals mijn gynaecoloog zei toen ik langskwam voor een controle, “Ze moest er echt zijn, Sofie. Zie haar daar nu zitten, ze hoort echt bij jullie.”

Bedankt liefje, jij bent echt een held. Bedankt Rosalie, jij bent de meest fantastische dochter van de wereld. Bedankt Basiel en Felix, jullie zijn de beste grote broers die iemand zich kan inbeelden. Bedankt vrienden en familie, voor alle ondersteuning, ver en dichtbij. Bedankt onbekenden, om zo met ons mee te leven.

Vorig jaar was er op 17 november taart in de ouderlounge van neonatologie, voor wereldprematurendag.

Vandaag is er vooral liefde en warmte, en dat is nog beter dan chocolade en slagroom.

Posted in Uncategorized | 5 Comments

Hutsepot.

Ik schrijf dit terwijl de trein van Kortrijk naar Gent rijdt, de smartphone leunend op mijn rechterpink. Ondertussen is daar zelfs al een klein omgekeerd boogje.  Ik schrijf dit terwijl de trein van Kortrijk naar Gent rijdt, omdat het ongeveer het enige moment is dat ik zit en weinig andere dingen kàn doen. Ik kan hier niet snel een mand was plooien of soep maken, ik moet gewoon wachten tot de trein zijn bestemming bereikt. 


De wagon is het nieuwe vol, want er zijn geen lege plekjes meer vrij die in 2020 in de categorie “coronaveilig” vallen. Ik zit alleen op een duoplek, mijn zware rugzak en kolftas als buddy. 


De gedachten razen voorbij, net als de lintbebouwde achtertuintjes. Het is vol, het is veel. 
Steeds vaker kan ik niet geloven dat we echt in deze situatie zitten. Dat we bij elke beweging moeten nadenken of dat wel kan. Of dat wel mag. Dat we moeten afwegen voor wie we onze voordeur nog kunnen en mogen openen. Dat we minder dan een hand nodig hebben om de mensen te tellen die nog in onze armen mogen. Dat we moeten tellen.


Het zijn hier zware jaren geweest. Dat zindert nog na, dat is zeker. Maar nu is het voor iedereen zwaar. Ik weet soms niet of ik nu net sterker of zwakker in mijn schoenen sta door alles wat er gebeurd is. Want ik blijf vrij hard doorlopen, maar soms ben ik bang van het traumamijnenveld waarop mijn run zich voltrekt. 


Ik wil er helemaal zijn voor mijn kinderen, want zij waren stuk voor stuk een heel bewuste keuze. Hun fundamenten worden nu gelegd. Er is een warm nest (dat durf ik echt te zeggen), maar er is ook veel gehol en gedoe. Het kaartenhuisje heeft soms maar een kleine tik nodig (één kindje ziek en niet naar de opvang, help) om eventjes in elkaar te storten. 


De work life balance komt mijn oren uit. Want het ligt niet aan mijn werk, of mijn drie kinderen, of de onderbroken nachten, het ontplofte huishouden, de verbouwingen of het vallen van de bladeren. Het ligt aan de hutsepot. Het ligt aan de combinatie van dat alles. Het zijn veel ingrediënten voor een beperkte kookpot. Soms dicht bij het kookpunt. 


Ik ben gefrustreerd omdat ik er niet kan zijn voor mijn kroost op de manier dat ik zou willen. Ik ben gefrustreerd omdat mijn eigen projecten als eerste sneuvelen. God weet hoe lang ik al een podcast probeer te maken, maar hoe dat gewoon niet ingepast geraakt. Jezusmina hoe hard droom ik er van om eindelijk dat boek te schrijven, en daar dan ook nog een uitgever voor te vinden. Om in de verte nog maar te zwijgen van de lokroep van het podium. Theater, microfoons, camera’s. Ik mis het. 


Ik zou ook heel graag eens even met mijn lief verdwijnen. Ik zou me graag verliezen in een vrijpartij of een ochtendknuffel, zonder altijd die extra waakzaamheid op te zetten. Of zonder gestoord te worden. Maar tegelijk vind ik die kleinste spruit nog veel te klein om uit te besteden. Dat is geen meerwaarde voor haar, alleen voor ons. En dat is niet eerlijk in mijn hoofd.

Zie je. Het is mijn schuld. Ik wil vast te veel. Ik ben geen baas over mijn eigen tijd, wat geweldig hip schijnt te zijn (maar ja, hip was ik toch nooit). Het probleem van mijn generatie, toch? Ik wil per se full time werken om per se dat huis afbetaald en verbouwd te krijgen. Ik wil per de drie kinderen waardoor het toch normaal is dat er voor mezelf geen gram (enfin, wel the instaGRAM, insert knipoog) meer overblijft. 


Ik weet het niet zo goed. Of dat nu allemaal mijn eigen schuld is, of toch niet helemaal. Ik weet niet of dat er toe doet. Ik weet ook niet, of ik nu eigenlijk goed bezig ben of net kei hard niet. Het hangt er vast van af vanuit welk (economisch?) standpunt je het bekijkt.

Wat ik wel zeker weet: ik ben niet zot van hutsepot.


Posted in Kind en gezin, Mens erger je niet!, Want zo ben ik | 26 Comments