Ik leef op grote voet.

Ik kan niet zeggen dat het aangenaam is om in het mini-hoekje van schoenwinkels te kruipen waar ze een paar exemplaren in maat 42 voor vrouwen verkopen. Maar ik begin graag positief: er is al heel wat verbetering. In bepaalde schoenwinkels IS er een hoek voor maat 42, dat is op zich al een geweldige vooruitgang. (Ik heb trouwens eigenlijk maat 41, maar door de breedte van mijn pedalen vaak 42 nodig)

Ik eet by the way nog liever mijn gordijnen op dan een schoenwinkel binnen te stappen waar ze de schoenen één voor één voor jou moeten gaan halen. Ik voel me daar zo oncomfortabel bij, dat ik er gewoon automatisch voorbijloop. In dat soort schoenwinkels hebben ze meestal sowieso geen grote maten, dus niks verloren.

Ik juich dus toe dat winkels genre Torfs, Brantano of Bent al hun schoenen uitstallen. Daardoor kan ik naar hartelust passen en hoef ik me geen 20 keer te schamen als alleen mijn dikke teen in het modelletje past. Maar het is wel jammer dat het hoekje voor de vrouwen met boten nog steeds op kaboutermaat is.

Enfin. Onze jongens groeien sneller uit hun schoenen dan ze kunnen verslijten (pasop, ze doen geweldig hun best om ze helemaal kapot te maken), dus we stonden in een grote schoenzaak met speelhoek en gangen. De kinderen waren braaf aan het spelen, dus wij gingen ook wat passen. Ik stond bij de sneakers, want die draag ik tegenwoordig zo veel dat ze ook sneller verslijten dan mijn schaduw.

Ik was teleurgesteld, want het was armoedig gesteld met het aanbod. Van de 8 sneakers die er stonden, was er maar 1 paar waar mijn voeten ook efffectief in pasten. Maar toen kreeg ik een geniaal idee. Sneakers zijn sneakers, van bepaalde merken is er zelfs absoluut geen verschil tussen vrouwen- en mannenmodellen. Op naar de mannengang 41/42!

Heaven. Het aanbod was gigantisch. Na drie minuten wilde ik al vijf paar schoenen kopen. Dat was helaas budgetontoereikend, dus ik werkte volgens eliminatie.

Toen vond een verkoopster het nodig mij er op te wijzen dat ik bij de mannen stond te passen. En dat hun winkel toch ook een vrouwenafdeling had. Ik voelde mij echt belachelijk. Ten eerste omdat haar toon insinueerde dat ik te stom was om zelf door te hebben dat ik in het piemeldepartement zat. Ten tweede omdat het feit dat ik niet in de schoenen van de vrouwenafdeling pas, op zichzelf al meer dan genant genoeg is.

Van de weeromstuit ben ik met lege handen naar huis gegaan.

(Om drie dagen later terug te gaan en alsnog twee paar mee te grabbelen. Fashion before principles, no?)

Posted in Er zijn zo van die dingen, Mens erger je niet!, Want zo ben ik | 23 Comments

Het priemgetalverslag.

113 – Het aantal keer dat Felix ergens op zijn hurken in een hoekje zat met een grijns. Die grijns is meestal een mooie mix van ‘ow yeah dude’ en ‘shit, dit is niet goed’. Waarbij je de shit redelijk letterlijk mag nemen. Ongeveer 98% van de grote boodschappen zijn (nog steeds) NIET in de pot. Maar alles komt goed, ook met de aarsstoet.

3 – Na maanden, zelfs bijna jaren van boekenstilte las ik drie boeken. Op één week. Ik moest Het smelt nog inhalen, en verslond er in één moeite door ook twee van Griet Op De Beeck. Meteen weet ik weer waarom ik liever niet lees. Ik laat dan namelijk alles vallen om te lezen, en dat is nogal onhandig met een huishouden en twee kinderen.

2 – De auto’s die de laatste drie maanden tegen mijn ‘nieuwe’ bolide zijn gebotst. Dikke merci wel aan de mevrouw die hier is komen aanbellen, nadat ze mijn geparkeerd voertuig had binnengedraaid. Ook voor de dame die tegen mijn achterkant knalde op de parking van de Gelamco Albert Heijn, heb ik voorlopig nog hoop. Ze wilde geen papieren invullen, maar was vooral geschrokken en had nog nooit iets voorgehad. (Ik helaas wel, roloog). Maar alles komt goed, ook met het verzekeringstegoed.

5 – Zoveel kilometer heb ik EINDELIJK nog eens aan één stuk kunnen lopen. Ik moet geweldig voorzichtig blijven, maar ik loop weer een klein beetje. Hoera! Omdat de pijn niet helemaal verdwenen is, las ik braaf voldoende rustdagen in. Ligt er steevast ijs op als ik ooit eens in de zetel beland en ga ik voorlopig niet verder dan 5 km. Dat is lastig, maar tegelijk ook geweldig. Want ik loop weer beetje. Hoera! Alles komt goed, ook met de blessurevoet.

3 – Extra kilo’s op de weegschaal. Ik heb hier tussen de lijnen misschien al een beetje laten vallen dat het hier niet de meest geweldige periode is (_understatement_), en dat heeft zijn weerslag op mijn gewicht. Voor het eerst in anderhalf jaar, ben ik de moed verloren om aan 5:2 te doen. Wat dan weer een vicieuze cirkel is, want door de extra kilo’s zit ik ongelooflijk slecht in mijn vel. Ze moeten er weer af, zoveel is zeker. Ik vast weer, en ik hoop dat de weegschaal uiteindelijk volgt. Alles komt goed, ook met het walvisgemoed.

1 – Officieel geen priemgetal, maar omdat alle priemgetallen zonder “1” compleet verloren zouden zijn, mag het hier ook wel bij. Eén totale switch in de living. Ik schuif heel graag met meubels, maar in onze leefruimte is dat moeilijk. De zeven meter lange kast (in dat afschuwelijk rood) hangt vast (en was hier al), net als onze zetel. Die was gepast voor ons vorige huis, maar hier stond staat de L eigenlijk aan de verkeerde kant. Na de aflevering van VTWonen vorige week, kon ik het niet meer aan. Ik heb de L uit elkaar gehaald en de verticale lijn doorbroken. Er is nu een echte zithoek. Ook al lijkt onze zetel een stuk te missen, ook al lijkt de totale ruimte kleiner en is mijn lief totaal niet overtuigd, het is wel echt veel gezelliger. Er is ten andere ook helemaal geen geld voor een andere zetel. Alles komt goed, ook met het zitgewroet.

7 – Maximum aantal weken dat we nog moeten wachten op onze nieuwe voordeur. Het kon zo echt niet langer. De koude kwam langs alle kanten binnen (hallo EPC!) en ook het slot is volledig kapot. Bovendien is een witte fermettedeur met leeuwenhanger ook nog eens afschuwelijk lelijk, dus actie was echt nodig. Sinds een familielid droogjes opmerkte dat onder die gigantische spleet ook heel gemakkelijk ongedierte kan binnenkomen, doe ik geen oog meer dicht. Ik tel af naar de aankomst van onze hyperstrakke antracietgrijze gevelmake-over aluminiumentree. Alles komt goed, ook met onze gevelsnoet.

239 – Uren dat mijn hoofd op springen stond. Of dat ik onder een dekentje wilde verdwijnen. Of dat ik wil slapen. Of mezelf voorbijholde. Misschien wel het aantal strepen dat mijn zelfvertrouwen gedaald is. (Ook gelinkt met puntje 3 natuurlijk, of course). Maar gelukkig word ik goed omringd door het allerbeste lief van de wereld en twee zalige jongens.

En alles komt goed. Dat moet.

Posted in Uncategorized | 9 Comments

Outfitpost. Hashtag boysmum.

Eigenlijk wil ik al maanden een outfitpost maken over de jongens. Misschien zelfs eerder jaren. Maar het is er gewoon nog nooit van gekomen. Nochtans vind ik kinderkleren de max. En vind ik het belangrijk dat ze er leuk bijlopen. Nu lijkt het natuurlijk alsof ik het idee helemaal steel van Romina, maar ik zweer dat het niet zo is. Trouwens, de outfits van haar dochter en de foto’s ervan zijn duizend keer beter dan die van mij. So she wins anyway.

Ik kan hier wat met excuses staan zwaaien, maar outfitfoto’s van actieve jongens zijn gewoon een moelijke zaak. Dat komt omdat mijn gasten er doorgaans ongeveer vijf minuten proper en netjes uitzien en in die korte tijdspanne liever andere dingen doen dan poseren. En als ze wel op de foto willen, krijg je de gekke bekken er gratis bij.

Het was dus praktisch nogal moeilijk. Bovendien hebben we hier op dagelijkse basis nog grote boodschap-ongelukjes bij Felix. Het is een klein mirakel als hij na school nog dezelfde kleren aanheeft als bij vertrek ‘s morgens. Meestal draagt hij om halfvier combinaties en (reserve)kleren waarmee ik amper naar huis durf te wandelen.

Ik heb al vaak geprobeerd om in de chaos foto’s te nemen, maar dat is ongeveer elke keer mislukt. Ik kon deze post daarom nog jaren uitstellen, maar van vijgen na Pasen is nog niemand beter geworden. Toen een vriendin die hoogzwanger is van haar eerst zoon onlangs vroeg waar ik de stoere outfits van mijn boys meestal scoorde, wilde ik echt niet meer wachten. Dus voor de vreselijke foto’s: sorry. (En ook not sorry, het is hier altijd nogal real life, de foto’s zijn van dezelfde aard.)

Basiel is het afgelopen jaar zo hard gegroeid dat ik shopgewijs amper kon volgen. Broek kopen, broek wassen, broek bij de volgende ronde water in de kelder: dat is hier echt gebeurd. We zitten ook met een knie-verwoester. Ongeveer elke broek heeft na drie minuten gaten ter hoogte van de knieën. Dat gebeurt zowel bij dure als bij goedkope broeken, dus ik weiger nog veel geld te betalen.

Hoera ook voor neefjes die een beetje ouder zijn. De stukken waar Mathis uitgegroeid is, komen deze kant op. Basiel vindt het geweldig dat hij dingen mag dragen van zijn grote held en zo krijgen ze een heerlijk tweede leven. Win-win. Broeken geraken meestal ook niet to hier, dus ik vermoed dat dat van die knieën een algemeen jongensprobleem is.

Ik probeer ook flink te zijn en Felix in de oude kleren van Basiel te stoppen, maar ook daar duiken vaak ‘problemen’ op.

  • Ten eerste: als baby waren de hespen van Felix zo indrukwekkend, dat hij in bijna geen enkele broek geraakte van Basiel.
  • Ten tweede: ook al zit er maar 2 jaar en 8 maanden tussen de jongens, soms is mijn smaak te hard veranderd. Merken waar ik vroeger helemaal voor viel, vind ik nu soms gewoon…lelijk.
  • Ten derde: het gaat niet zo vlot met de kaka-zindelijkheid, dus al zijn kleren moeten tegen een serieus stootje kunnen. Want worden zot gewassen, en op hoge temperatuur.

Insert betaalbare kinderkleding. Daarvoor ga ik vooral naar JBC, H&M, Zara, Sissy-Boy en Hema. Af en toe ga ik wat gekker met Someone, Ba*ba, Emile et Ida, Petit Filou, Sproet en Sprout of Molo. Maar vaker droom ik daar gewoon van, omdat het geld jammer genoeg niet op onze rug groeit.

Aangevuld met spullen die we krijgen, hebben beide jongens een goed gevulde toffe kleerkast. En toch slaagt Felix er geregeld in om helemaal zonder broeken te vallen (leve de pyjamaredding!). We blijven hopen op een (snelle) sluitspierklik.

Als er trouwens een soort hoogsensitiviteit bestaat voor kledij, dan heeft Basiel dat absoluut. Elke dag drama omdat hij schoenen moet dragen DIE VERSCHRIKKELIJK ZITTEN, omdat een broek kriebelt of net niet. Overal moet ik de labels uitknippen. Hij rolt standaard ook elke broek en trui op, want ‘anders zit dat niet goed’. In de winkel is het nooit een probleem, maar als hij het daarna thuis moet aandoen wordt hij ongeveer gek.

Echt gek, over alle mogelijke kledingstukken. Ik verlang nu al naar de tijd van korte broeken en sandalen.

Daarom, en om andere evidente redenen.

Posted in Basiel, Felix | 20 Comments

Zijn naam was Taeldeman, en hij was de-tael-man.

Het was zeker niet de tijd van mijn leven. Ik wou dat ik het anders had aangepakt, maar ik weet tegelijkertijd niet of ik dat wel zou kunnen. Ik legde in die studententijd immens veel druk op mezelf, waardoor ik vooral veel aan het studeren was. Onderscheidingen en grote onderscheidingen wisselden elkaar af, maar ondertussen heeft nog niemand naar mijn licentiaat in de Germaanse Talen gevraagd. (Behalve om zelfstandige in bijberoep te worden. Dat was die keer dat ik dagen heb moeten zoeken omdat ik het stuk papier nergens kon vinden)

Ik was gelukkig altijd geslaagd in eerste zit. Insert drie maanden vakantie. Want de andere vrije tijd heb ik in die jaren helaas lichtjes verkwanseld aan mijn toenmalige liefde in de heimat. Ik kon natuurlijk niet weten dat dat grondig fout zou lopen. Ok, misschien wel als ik toen wat harder had durven na te denken.

Ik ging wel graag naar de les. Het komt waarschijnlijk ook niet als een verrassing dat ik er ongeveer geen enkele gemist heb. (Jaja, streber, ja) Of dat ik de persoon was die iedereen aantikte om een vraag te stellen. Misschien omdat ze zelf bang waren dat hun hand er ging afvallen bij het opsteken of omdat er alleen al bij de gedachte om iets te moeten zeggen, pipidruppeltjes vrijkwamen.

Misschien ben je vorige week in het nieuws wel ergens tegengekomen dat Professor Johan Taeldeman van de Ugent overleden was. Hij kreeg de titel dialectenprofessor in de krant, maar ik noemde hem al lachend wel eens de kerstman. Zo zag hij er ook uit, met zijn lange witte baard en bretellen.

Toen ik zijn bureau binnenwandelde voor het mondelinge examen Nederlandse Taalkunde in tweede kan (ik ben inderdaad al zo oud dat ik kandidaturen en licenties nog net meegemaakt heb), was ik behoorlijk zenuwachtig. Dat waaide snel weg toen Taeldeman mij complimenteerde met mijn mondigheid. Hij prees mijn actieve aanwezigheid – die bij mijn medestudenten vast het nodige ooggerol veroorzaakte – in de colleges. Ik kreeg al snel het gevoel dat hij niet bijzonder veel zin had in examineren, maar des te meer in een lang gesprek met een stevig biertje.

Uiteindelijk moest ik toch een vraag beantwoorden. Ik had flink gestudeerd en hoefde me dus niet in pijnlijke bochten te wringen. Maar wat ik vertelde, maakte absoluut geen indruk. Het ging hem alleen maar over hoe ik het vertelde. Achter zijn gestreken baard, verscheen een steeds groter wordende glimlach.

Hij rondde het gesprek (ik kan het echt geen examen noemen) af met woorden die nog heel erg lang in mijn hoofd hebben gespeeld. Taeldeman vond ik dat ik zo’n ongelooflijke mooie stem had en een onberispelijke uitspraak. Hij zei dat hij het fijn vond dat ik op deze universiteit zat, maar dat hij vooral hoopte dat ik ooit voor de radio zou gaan werken. Dat mijn stem daar perfect voor was. Hij zou dan zeker luisteren.

Ik kreeg uiteindelijk 17/20. En ik sla me voor de kop dat ik hem nooit heb laten weten hoeveel gewicht die woorden in mijn leven hebben gehad, en nog steeds. Altijd meer.

Het deed me wat, dat droevige bericht in de krant. Want ik heb jaren geleden in een donker auditorium aan zijn lippen gehangen. Zijn woorden hebben een eigen kamer in mijn hoofd.

Ter ere van Taeldeman kan ik niet anders dan afscheid nemen in wat voor mij het dichtst bij mijn eigen dialect komt. Ook al valt het misschien eerder onder die verfoeilijke tussentaal die zowel de standaardtaal als het dialect opvreet.

Sloppel. En merci.

Posted in Gent | 8 Comments

De visagissue. (Of hoe ik twijfel over make-up)

Eigenlijk ben ik nooit een fan geweest van make-up. Het is niet alsof het me totaal niet interesseert, ik ben er eigenlijk gewoon een beetje bang van. Ik ben allergisch aan doofpotoperaties op grote en kleine schaal, en een kilo schmink voelt voor mij als just another verstopmanoeuvre.

Van mijn eerste lief mocht ik geen make-up gebruiken. Hij zei altijd dat ik mooi genoeg was van mezelf (dat werkte wel als argument) en dat ik het moest opsparen voor als ik het over twintig jaar echt nodig zou hebben. Dus eigenlijk haalde ik mijn mascara en oogschaduw alleen maar boven voor heel speciale gelegenheiden, zoals een trouwfeest.

Uiteraard ga ik voor presentatieopdrachten wel een stap verder. Je kan best nog voor een tikkeltje meer gaan dan the whole shabam, als je er onder een spot niet als een uitgewrongen dweil wil uitzien. Ik ben ook al een paar keer professioneel opgemaakt voor televisie of een fotoshoot. Dat is zowel al glamoreus meegevallen als lelijk tegengeslagen.

 

Het laatste jaar ga ik in het dagelijks leven ook af en toe voor een vleugje. En elke keer opnieuw word ik overladen met complimenten. Dat zou eigenlijk leuk moeten zijn, maar het maakt me geweldig onzeker. Want betekent dat dan dat ik er echt zo afgewassen uitzie zonder? Of dat ik minder vrouw ben omdat ik me weghoud van the beauty-industrie? Feit is dat van de twintig jaar waar mijn eerste lief over sprak, er al vijftien gepasseerd zijn. Is het tijd om mezelf jonger/frisser/beter te maken met een laagje vernis?

Toen ik onlangs met een bende vriendinnen op weekend was, gingen we zaterdagavond op restaurant. Iedereen riep bijna tegelijk dat ik er (helemaal uitgedost en opgemaakt door vriendin Barbara) zo geweldig uitzag. En dat ik dat echt altijd zou moeten doen. Ook toen ik afgelopen weekend deze foto op Instagram zette, waren de reacties nogal overweldigend. Allemaal complimenten, maar ik werd er eigenlijk alleen maar onzeker van.

Het ding is dat ik me er altijd bewust van ben als ik make-up draag. Ik voel dat de hele tijd zitten. Je zou kunnen argumenteren dat het ligt aan de vervallenheid van mijn producten, maar het gebeurt even hard met kraakvers en kwaliteitsvol spul.

Het is gewoon je goeie punten een beetje extra in de verf zetten, hoor ik ook vaak. Niks mis mee. Het is trouwens niet alsof ik hier rondloop als ma Flodder. Ik ben heel erg bezig met mijn outifts en uiterlijk. Ik maak mezelf dus echt graag mooi, maar toch blijft make-up me afschrikken.

Puur natuur en verdrietig. Real life.

Puur natuur en verdrietig. Real life.

Ik vind het wel eens gezellig om in de badkamer te klungelen met kwast en poeder, maar ik mag er niet aan denken dat ik dat op dagelijkse basis zou moeten doen. Puur natuur voelt zoveel echter, authentieker, waarachtiger. Ik hou van openheid, niet van me verstoppen achter een laagje.

Maar de reacties met make up zijn zo overweldigend positief, dat ik toch ergens druk voel. Het gekke is ook dat ik er absoluut geen hol van ken (no clue waarvoor 75% van de producten voor dienen), maar dat mensen me vaak zeggen dat ik me zo mooi heb opgemaakt. Het lijkt wel alsof het een slapend talent is van mezelf. Al zou het natuurlijk ook kunnen dat de aap zelfs met slecht aangebrachte schmink toch een iets minder lelijk ding is.

Ik ben natuurlijk 33 ondertussen, dus misschien is het moment echt aangebroken om aan de oplapwerken te beginnen. Ik weet ook niet helemaal waarom het me zo’n oncomfortabel gevoel geeft. Want ik voel me graag mooi en vrouwelijk, dus ergens is het ook een grote contradictie.

Hoe zit dat bij jou?

  • Schminkpop van geboorte
  • godin der natuur zonder hulpmiddelen
  • het betere oplapwerk in de dagelijkse routine
  • special occasions person

Ik ben zelf nog serieus in dubio over dat plamuren. Maar af en toe kan geen kwaad zeker?

(Of kan ik het echt niet meer uitstellen?)

Posted in Want zo ben ik | 39 Comments

Waarom iedereen in de stad zou moeten wonen

De titel is natuurlijk een mopje. Want als echt iedereen in de stad zou gaan wonen, dan was daar natuurlijk ook geen plaats meer. Maar het is wel een pleidooi om bewuster en zuiniger met wonen en open ruimte om te springen. Ik zeg niet dat we de baksteen in onze maag meteen met het badwater moeten weggooien, maar een update van die baksteen kan geen kwaad.

Ik heb op redelijk veel verschillende plaatsen gewoond. Ik ging van dorp naar stad over de provinciegrenzen heen. Ik verhuisde van een villa omgeven door weilanden, via een kot naar mijn allereerste piepkleine appartementje (trust me, ‘appartement’ is een te groot compliment).

Twee jaar geleden verhuisden we van een klein rijhuisje dat met twee kleine kinderen volledig uit zijn voegen barstte, naar een stadswoning met ruimte. Niet gigantisch, maar wel geweldig. Zelfs met een terras en een klein tuintje. Een ongelooflijke luxe, vinden wij.

We zijn verwend met ruimte. We zijn het gewoon van heel ruim te wonen. Liefst compleet met oprit, grote tuin, garage in de woning en als het even kan ook ver genoeg van buren. Ik veralgemeen misschien een beetje. Of ik heb teveel naar Huizenjagers gekeken. Topprogramma wel, want binnenkijken is mijn hobby.

Compact(er) wonen is de toekomst als je het mij vraagt. Maar eigenlijk wou ik gewoon graag even zeggen waarom wij hier zo graag wonen, in de Brugse Poort in Gent.

Nabijheid

Behalve woon-werkverkeer doen wij minstens 80% van onze verplaatsingen te voet of met de fiets, soms ook met het openbaar vervoer. Want met een historisch stadscentrum op anderhalve kilometer en ons eigen ‘dorpscentrum’ in onze wijk, is een auto eigenlijk overbodig. Die wordt gebruikt om te gaan werken, hele grote boodschappen te doen (mijn cola-zero-verslaving kan niet op mijn bagagedrager) en verre vrienden/familie te bezoeken. We gaan te voet naar school, de bakker, het theater en de apotheker. Ik word daar heel gelukkig van, en mijn stappenteller ook.

Rust

Gek dat ik het typische argument van de plattelandsbewoner bij de stad plaats. Maar echt, het is hier heel rustig. Dat is uiteraard niet overal in Gent zo, dat weet ik wel. Maar omdat de auto actief geweerd wordt uit het stadscentrum, is het echt een rustige plek. Mijn moeder is hier eens een weekend komen logeren en behalve dat er toen ingebroken was in haar auto (hoe cliché is dat wel niet?), was ze echt geschrokken van de rust die hier hangt. Bij mijn ouders (op het platteland dus) word ik vaak wakker van het verkeer, dat is me thuis nog nooit overkomen. De occasionele luidruchtige (zatte) student moet je er natuurlijk wel bij nemen, maar we zijn allemaal jong geweest.

Speelgroen

Alweer een belachelijk stadsargument.  Maar omdat de open en groene ruimte hier schaarser is, genieten we er ook bewuster van.  We zijn de trotse eigenaar van een klein tuintje met terras, maar maken ook volop gebruik van het (speel)groen in de buurt. De ingang van natuurgebied De Bourgoyen ligt op minder dan één kilometer van onze voordeur en is mijn favoriete loopplek. Maar er zijn ook heel wat speetuintjes op wandelafstand. We hebben met de Blaarmeersen zelfs een meer + strand op 10 min fietsen. Bij de laatste hittedagen was er dit een halfuur nadat we beslist hadden dat we afkoeling konden gebruiken.

Lekkers

Er is zoveel lekkers en gezelligs en hips in de buurt, dat is niet te doen. Misschien moet ik eens een aparte blogpost maken met mijn favoriete adresjes. Want hoewel er een soort anonimiteit hangt in de stad, is dat hier eigenlijk ook een groot dorp. Ik kan nergens met mijn fiets naartoe zonder onderweg een paar keer mijn hand op te steken naar bekenden. Ik ken hier ondertusssen meer mensen dan in de heimat.

 

Ik ben dan ook al vijftien jaar een trotse Gentenaar. En er zullen serieus wat stokken nodig zijn om mij hier buiten te krijgen.

Oooh Gentje.

 

 

 

 

Posted in Gent | 13 Comments

Een warm (familie)bed.

Met mijn gat in de boter. Ik kan het niet beter omschrijven als het over mijn schoonfamilie gaat. Als je hier al eens iets leest, had je vermoedelijk wel al door dat ik het groot lot gewonnen heb met mijn lief (sorry dames, hij zit hier!). Maar de vent kan nog zo geweldig zijn, je weet nooit welke aanhangsels automatisch meekomen.

De eerste keer dat ik hen ontmoette was best spannend, daar in dat restaurant in Brugge. Het was ongeveer zes weken nadat Tom op onze allereerste ontmoeting diep in mijn ogen hadden gekeken en we toen meteen hadden beslist om de rest van ons leven samen te blijven. We woonden in de praktijk toen ook al een week of vijf  samen, maar dat hebben we mogelijks niet zo duidelijk vermeld. (Oeps)

Mijn schoonzus had ik al eens eerder ontmoet. Ik had zelfs haar nummer al, en zij had me al gestuurd dat TOM HET ECHT WEL MEGASERIEUS MOEST MENEN WANT DAT HIJ NOG NOOIT IEMAND HAD MEEGEBRACHT. Beetje stress of ik wel de ideale schoondochter kon zijn. Maar tegelijkertijd toch ook wel zot geflatteerd dat ik blijkbaar wel belangrijk genoeg was voor die exclusieve vuurdoop.

Ik heb een heerlijke schoonzus. Ze is een fantastische meter voor onze oudste sloeber, een geweldige tante voor allebei, een vriendin, een topzus. Het grappige is dat mensen heel vaak denken dat wij echt zussen zijn. De “amai ja, dat is je zus, dat zie je echt duidelijk”-uitspraken kunnen we niet meer op één hand tellen. Ik lijk dus meer op mijn schoonzus dan op mijn eigen zus. Raar, maar ook wel grappig. Evi heeft trouwens ook voor een toffe schoonbroer gezorgd. Hij heeft meer anciënniteit dan ik. En een trouwring *insert tonguitstekende + knipogende emoticon*.

Om te weten hoe mijn lief er over een jaar of dertig zal uitzien, moet ik gewoon een blik werpen op mijn schoonpa. Het is misschien wel de allerliefste man die ik ken. Hij is ongelooflijk met ons begaan. Ik ben niet zeker wie de wedstrijd ‘het snelst je zakdoek moeten bovenhalen van ontroering’ zou winnen, we maken allebei kans. Ik besef dat het een ongelooflijke geluk is om te kunnen zeggen dat ik nog een extra vader cadeau gekregen heb, maar zo voelt het echt wel. Ik heb een vake (de mijne) en een papa (die van Tom). En onze jongens hebben een heerlijke opa.

Tom is de loper. Opa de supporter.

Tom is de loper. Opa de supporter.

En dan zijn we bij de laatste schakel. Ik luister naar vreselijke verhalen van boze schoonmoeders van vriendinnen, waarna ik helemaal niks kan zeggen. Meestal stamel ik gewoon dat ik een geweldige schoonmoeder heb, wat helemaal waar is. Naast mijn eigen moeke (mijn moeder), heb ik ook nog een mama (die van Tom). En als je aan Felix vraagt naar wie hij gaat bellen met zijn speelgoedtelefoon, is het antwoord steevast: oma. (TIP: CHECK dat filmpje)

 

Het is een geweldige madam, met wie ik goed overeenkom. Nu ik erover nadenk, we zouden eigenlijk wat vaker een date met ons drietjes (dochter, (schoon)moeder en schoondochter) moeten doen. Want die keer dat we samen naar de show van So You Think You Can Dance zijn geweest, is al veel te lang geleden.

Het leuke is dat ze meestal zegt wat ze denkt. Zo weet ik dat ik ze helemaal niets begrijpt van mijn voorliefde voor retrospullen uit de 60s en 70s. Het woord lelijk is zelfs al een paar keer gevallen. Maar dat is helemaal niet erg. Want tegelijkertijd is ze dolgelukkig dat ik over the moon ben met de schatten van haar zolder. Ik heb het al gehad over onze heerlijke boekenkast en ik moet het nog hebben over de geweldige nachtkastjes en commode in onze slaapkamer, maar ik wou vooral eens tonen in wat voor een prachtig bed Felix mag slapen. Voor mijn komst in de familie waren deze schatjes misschien op het containerpark beland, maar nu zijn we allebei zot content dat ze een tweede leven krijgen. Prachtig bed, waar ik via facebook ook nog een fantastisch nachtkastje bij gescoord heb.

Moest ik niet zo graag naast mijn toplief liggen, ik zou zelf elke nacht in dat bed kruipen. Ben er helemaal verliefd op.

Maakt dat nu mee. Eigenlijk wou ik in deze blog alleen maar iets vertellen over het grote bed van Felix. Het ging een interieurblog worden. Maar plots werd het een ode aan mijn fantastische schoonfamilie. Kan gebeuren zeker? #sorrynotsorry.

Groetjes van Sofie – queen of meligheid – Verschueren.

Posted in Liefde, Thuis en al | 9 Comments

Op je gezondheid! (Sofie leest 30 DAGEN ZONDER ALCOHOL)

Het is geen geheim dat ik geen alcohol drink. Ik heb daar heel persoonlijke redenen voor, maar bovenal vind ik het ook gewoon degoutant slecht. Misschien dat ik mezelf onbewust aangeleerd heb om zo’n gevaarlijk spul vies te vinden, maar het resultaat blijft hetzelfde. Ik vind het jakkie, het smaakt naar rot fruit.

Ik heb me hier ook al eens boos gemaakt over hoe moeilijk dat wel niet is, om niet te drinken. Ik heb me er al duizend keer voor moeten verantwoorden, mensen hebben al evenveel keer geprobeerd om me toch te overtuigen en de voorgestelde alternatieven (vooral op officiële gelegenheden als recepties of zo) zijn doorgaans bedroevend.

Sinds kort staat er een nieuw boek in onze kast: 30 dagen zonder alcohol. Vreemde keuze misschien voor een geheelonthouder, maar eigenlijk ook niet.

Ten eerste: het boek is geschreven door mijn goeie vriendin Lien. Dus ik maak graag reclame! Waar ik bij haar eerste boek over het 5:2-dieet nog mocht opdraven, had ik over dit onderwerp bijzonder weinig niets te vertellen. Vanwege, tja, al meer dan 12.000 dagen zonder alcohol. Het boek heeft daardoor ook iets langer opzij gelegen, maar uiteindelijk heb ik het verslonden.

Want ten tweede: het is geweldig interessant. Ook voor mensen die geen alcohol drinken.

Ik wist al dat alcohol een zware drug is, maar ik ben toch nog een paar keer van mijn stoel gevallen. De effecten van alcohol worden luid, duidelijk en goed onderbouwd uitgelegd. En bij momenten vond ik het echt schokkend. Ik zou een paar mensen wel wat specifieke bladzijden onder de neus willen duwen. Enfin, als ik dat zou durven toch.

Initiatieven als Tournée Minérale – en vooral het succes ervan – maken duidelijk dat onze samenleving toch met een klein alcoholprobleem zit. En ook het verhaal van Lilith vond k megainterssant. Als het voor zoveel mensen een opgave is om deze drug ‘amper’ 30 dagen aan de kant te schuiven, dan is het tijd voor actie. Want de grens is heel dun, echt. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het als geheelonthouder bijna niet snap dat zoiets moeilijk is, maar dankzij het boek heb ik daar veel meer begrip voor. En die zes weken dat ik chocolade (en andere dingen waar melk in zit) volledig heb laten staan om te testen of Felix melkallergisch was, leken mij eerst ook onoverkomelijk. Dus alcohol is misschien een beetje mijn chocolade?

Ik wil de glazen fruitsap op recepties al een paar jaar over de hagelwitte tafelkleden uitgieten, maar misschien is het dankzij dit boek niet meer nodig. Er zijn namelijk gigantisch veel lekkere alternatieven, die in het boek uitgebreid worden gedocumenteerd. Receptjes: ja! Snelle en uitgebreide manieren om lekkere dingen te maken: ja! Tips voor thuis, maar ook voor op restaurant.

Hier en daar is de euro al gevallen en staan er geweldige alternatieven op de kaart. Maar over het algemeen gesproken is er toch nog wat werk aan de non-alcoholische winkel. Of ‘iets anders’ voorzien de kip of het ei is in het sociaal probleem van alcohol (bij een feestelijke gelegenheid hoort een glaasje, toch?) laat ik in het midden. Maar meer variatie, daar vaart toch iedereen wel bij?

Op de boekvoorstelling van 30 dagen zonder alcohol in het fantastische l’Amuzette (een ontdekking, ik kende dat gewoon niet. Shame on me) was er bijvoorbeeld een pittige gemberlimade, een alcoholvrij biertje en zelfs wijn waar je niet zat van wordt. Over de overheerlijke hapjes hebben we het niet. Ook niet over het feit dat ik die samen met L. toch wel redelijk soldaat gemaakt heb. Gelukkig heeft Lien daarvoor al een ander boek, vasten en feesten.

Ik vind eigenlijk dat iedereen 30 dagen zonder alcohol moet lezen. En het liefst van al ook kopen natuurlijk. (Gratis tip van de dag: laat het daarna rondslingeren op je salontafel of gastentoilet) Om Lien te steunen (en te belonen voor al dat harde werk) en omdat er per verkocht boek 1 euro naar de Stichting Tegen Kanker gaat. Maar vooral, omdat het echt heel interessant is om eens anders naar alcohol te kijken. Zodat het gewoon af en toe iets lekkers en leuks is. Voor het iets gevaarlijks en problematisch wordt.

En blijkbaar heeft stoppen of minderen ook geweldig veel gezondheidsvoordelen. Moeilijk in te schatten voor iemand die nog nooit een kater heeft gehad natuurlijk. (En ik ga het ook maar niet proberen zeker?)  Maar bij de volgende “we-gaan-eens- op-je-gezondheid!-klinken”, ga je die gezondheid misschien wel anders bekijken.

Ondertussen: Geniet. Met mate. En schol!

(Dat kan ook met een pittige gemberlimonade. Je kan daar even hard mee tsjingen.)

Posted in Kokeneten | 6 Comments

Gezinsdraf

“Het is nogal een figuur he”, is iets wat we geregeld horen. Ik kan het ook niet ontkennen, onze jongste is inderdaad nogal een enthousiast exemplaar. Hij springt en vliegt door het leven.

Of huppelt, zoals toen we op de parking van de Ikea liepen. Huppelen, zoals een paardje. Na enige tijd kwamen daar ook hinnikende geluiden bij. Ik weet ook niet precies hoe het gebeurd is, maar op een bepaald moment was het hele gezin als een paardje naar de auto aan het huppelen.

In onze gezinsdraf kruisten we een ander koppel. En plots begon de man van het koppel ook te huppelen, compleet met een hinnikje.

Maar echt joh, van zo’n dingen gaan mijn hartje serieus in galop.

(En mijn lachspieren ook)

Posted in Kind en gezin | 9 Comments

De borstfigurant

Toen ik een tijdje geleden op mijn allereerste blogevenement was, omschreef een collega-blogger me als ‘die van de borstvoeding’. Ik heb met de bluts en de buil moeten ondervinden dat perception (helaas) heel vaak ook reality is, dus ik heb me niet verzet. Inderdaad, ik ben die blogster van de borstvoeding. (Voor alle mensen die nu al willen weglopen: ik schrijf ook over tal van andere onderwerpen die helemaal niets met baby’s, melk of tepelkloven te maken hebben. Dat is beloofd. Tot de volgende keer, groetjes van de firma!)

Nog tot 7 oktober is het internationale week van de borstvoeding. In mijn ideale wereld zou het zelfs niet nodig zijn om daarvoor een speciale week te organiseren, maar er staan nog wel meer onmogelijke dingen op mijn utopia-wishlist. Feit is dat borstvoeding wel een zetje kan gebruiken. Bijna 80% van de verse moeders start met borstvoeding, maar drie maanden later zijn die cijfers al teruggezakt naar 33%. Niet toevallig het moment waarop je weer op het werk verwacht wordt, natuurlijk.

Ik heb het al uitgebreid gehad over hoeveel er misgaat aan de basis. Ik heb mijn hart al uitgestort over het gebrek aan (juiste) info en omkadering. Over hoe duizend meningen van evenveel vroedvrouwen, artsen en lactatiekundigen – hoewel bijna altijd met een goede bedoeling – voor veel jonge ouders net de ondergang van hun borstvoeding betekenen. Compleet het tegenovergestelde effect dus. Laat ons zeggen dat het een oude koe is die nog geregeld uit de gracht gehaald moet worden. (En the guys van Kind&Gezin zijn daarbij niet altijd mijn beste vrienden geweest, maar iedereen verdient een tweede kans. Knipoog.)

Want vandaag heeft Kind&Gezin een positieve campagne gelanceerd rond borstvoeding: de borstfigurant. Hoera! Met de bedoeling om borstvoeding gewoon normaal te maken.  Want het is gewoon een deel van het leven. Niemand kijkt op van een flesje (wat fantastisch is), maar niemand zou ook mogen opkijken van een voedende moeder. Of nog erger, er aanstoot aan nemen. Of nog erger, vragen om het voeden te staken in het openbaar. Borstvoeding zou gewoon normaal moeten zijn, want dat is het ook.

Borstfigurant Iris

En tegelijkertijd ook niet. Er zijn genoeg incidenten van moeders die gevraagd zijn om ‘dit’ niet te doen in het openbaar. Terwijl borsten in de allereerste plaats –  en ik citeer hier graag Topdokter Koenraad van Landuyt in het gelijknamige fantastische programma op VIER – in de eerste plaats bedoeld zijn om een kind te voeden. Een diepe decollete is geen probleem, maar een voedende moeder wel? Komaan gasten, 2017. Laten we dat openbaar voeden gewoon even uit de taboesfeer halen, owkey?

En hoewel ik tijdens mijn postgraduaat radio en televisiejournalistiek geleerd heb om zo weinig mogelijk met baby’s en beesten te werken (de gevreesde B’s), ben ik oprecht blij dat een aantal televisieproducties (Familie! De Buurtpolitie! Zonen van Van As!) al hebben toegezegd om borstfiguranten in hun decor te zetten. Er is zelfs een speciale database voor borstfiguranten. Dus als je altijd al eens in het café van Jan Van den Bossche had willen zitten en je hebt toevallig een baby aan de borst: dit is je kans.

Ik ben trouwens wel benieuwd naar hoe dat dan zal gaan op de set. Want de belangrijkste job van figuranten is toch vooral om zo weinig mogelijk op te vallen (lees: stil te zijn indien nodig) en dat lijkt me wel een uitdaging met kleintjes. Moest mijn kleuter op gezette tijden willen drinken en daarbij zijn aandacht kunnen houden op mijn boezem (en het dus geen blotetettenshow zou zijn), ik blies mijn acteercarrière meteen nieuw leven in. Als borstfigurant.

Wij zouden toch perfect in kei veel decors passen.

Meer info vind je trouwens op www.borstfiguranten.be – en ze hebben zelfs een blits filmpje gemaakt.

Ik ben er nog niet helemaal uit of deze campagne oorzaak of gevolg is van veel dieperliggende problemen. Maar als we dat even vergeten (soms ben ik gewoon chill en probeer ik het allemaal los te laten, ik weet het, ge had het niet verwacht), dan kan ik meer borsten en meer baby’s op tv alleen maar toejuichen. Leve de borstfigurant.

En wie weet. Misschien wordt het ooit wel de borsthoofdrol. Ik was al aangenaam verrast dat er gevoed werd in de geweldige reeks #hetisingewikkeld. Tussen de vrijpartij en het plooien van de was, precies zoals in het echte leven.

Gewoon. Normaal.

Posted in Borstvoeding | 5 Comments